GENOEG

Misschien moest Catharina eens uit de tent gelokt worden. Letterlijk, bedoelde Hannes.
Door zijn blonde haren blies de zeewind en hij veegde een lok uit zijn gezicht.
Zijn zus op eeuwige wereldreis—lees: op de loop—en hij haar zaakjes opknappen—lees: haar sloof. Niet alleen de zorg voor haar financiën, maar ook voor haar huisje—waterleiding in de winter, storm in de zomer—en dat toch al zo’n twintig jaar. Moe en zat was hij ervan. En toch was hij weer terug op Sylt, nu vanwege een wespennest onder haar rieten dak.
Verongelijkt klemde hij zijn kaken op elkaar, schoof de trapladder uit en zette hem tegen de gevel.
Na de dood van hun moeder, wiens uitvaart hij óók regelde daar Catharina vanuit haar Kilimanjaro-tentje weigerde om naar huis te komen, had hij eindelijk kunnen ontsnappen.
Hij zette een voet op de onderste laddertree en klom naar boven. Vanaf de nok had hij een magnifiek uitzicht over de duinen, de zee, de blauwe lucht. Waarom dat alles opgeven? Omdat de bekrompen eilandgemeenschap en de hordes toeristen hem benauwden.
Uit zijn broekzak haalde hij een pakje Marlboro met aansteker. Leunend tegen de wind nam hij een trek en dacht aan de vrouw met de mooie ogen die in Hamburg op hem wachtte. Zij had alles veranderd. Zij was de eerste die hem echt zág, die wilde weten wat zijn dromen waren, wat hem dreef, bezighield. Ja, zij was het beste wat hem overkomen was. Met haar lag zijn toekomst dichterbij dan zijn verleden– dus genoeg.
Hij keek naar de sigaret tussen zijn vingers. Lang hoefde hij niet na te denken. De smeulende peuk paste precies in een holletje onder het riet.
Niet veel later reed hij zijn Mercedes op het bovendek van de autotrein. Ergens in de verte loeiden de sirenes van de blusbrigade. Hij glimlachte. Welkom in de echte wereld, zusje lief.

ANNE NETELENBOS