HIJ

Ik opende de voordeur en zodra ik een voet over de drempel zette, hoorde ik zware voetstappen naderen. Meteen wist ik van wie die zelfverzekerde tred was. Moest ik vluchten, of blijven? Was ik maar gevlucht, dan had ik nooit die geveinsde onschuld verloren waarmee ik die ochtend, zoals elke ochtend sinds hij verdwenen was, opgestaan was. Maar iets in mij zei me dat de tijd gekomen was om mijn waarheid onder ogen te zien, en dus veegde ik zoals elke avond mijn voeten aan de mat, sloot de deur, zette mijn tas in een hoek, legde de autosleutel in het handbeschilderde schaaltje—dat ik ooit met hem in een souvenirwinkel op Mallorca gekocht had—en hing mijn jas aan het haakje. En zoals elke avond draaide ik me om om voor mezelf, als beloning voor weer een slopende dag op kantoor, een glas Merlot in te schenken. Maar die avond blokkeerde hij me de doorgang naar de keuken. Wijdbeens—daartussen was niets veranderd, nog net zo fraai gevuld als toen—stond hij voor me, de handen in de zij. Ik wilde wegkijken, maar zijn blik hield me gevangen. Ik hoefde mijn ogen niet te sluiten om te zien hoe hij ooit was, dat hij niets veranderd was, dat hij nog steeds die tergende aantrekkingskracht had.

Ik voelde zijn handen rond mijn gezicht.

“Liefste, mijn liefste,” fluisterde hij.

Ik liet mijn hoofd achterover vallen en hij kuste me, diep en sensueel. Verlangend kippenvel liep langs mijn rug toen zijn vingers zich rond mijn hals sloten. Ik voelde de druk, maar stribbelde niet tegen. Mijn leven zonder hem was een kwelling, ik had het geprobeerd, en dit was de prijs die ik moest betalen om bij hem te zijn. Voor eeuwig. Ik liet hem begaan en zakte weg in een onweerstaanbaar zwart, voor altijd de zijne.

ANNE NETELENBOS